Sprekers Dodenherdenking

Toespraken tijdens de Dodenherdenking in het Walkartpark op 4 mei 2018.

vrij voor publicatie na bronvermelding (4 en 5 mei comité Zeist)

 

Woord van welkom door de voorzitter van het 4 en 5 mei Comité Zeist, de heer M. Slootweg

Dames, heren, jongens en meisjes, namens het 4 en 5 mei comité heet ik u van harte welkom bij deze herdenking. Ook welkom als u dit nu of later via de zender van Slotstad beluistert.
Burgemeester en het gemeente bestuur, ook u van harte welkom.

Welkom aan Madelief Tuinhout, leerlinge van de Openbare Scholengemeenschap Schoonoord. Zij heeft dit jaar de gedichten wedstrijd gewonnen en zal haar gedicht voordragen.

2018 is uitgeroepen tot het jaar van het Verzet en we zijn blij dat wij de 92 jarige heer Ir W.J.Velthuisen van harte welkom mogen heten.  Hij zal over zijn ervaringen tijdens de 2e wereld oorlog vertellen.  Geef vrijheid door  Wat denkt u, zal de gegijzelde en haar familie, de franse politieman Arnaud Beltram,  die onlangs omkwam bij een gijzeling omdat hij vrijwillig haar plaats innam , niet ontzettend dankbaar zijn en hem eren?

Vandaag  herdenken wij de slachtoffers die tijdens en na de 2e wereldoorlog  gevallen zijn.

Beste aanwezigen,  mogen en moeten, wij al die mensen die hun leven gaven voor onze vrijheid, ook al is het  lang geleden, dan niet dankbaar zijn en hun jaarlijks herdenken?
Zij gaven immers hun leven voor onze vrijheid. Morgen op 5 mei vieren wij, onze inmiddels 73 jarige vrijheid.
Het aantal mensen dat de 2e wereld oorlog heeft meegemaakt wordt kleiner.
De verhalen die zij ons vertelde en aan ons hebben nagelaten, zijn veel zeggend, laten wij daarvan leren.
En zijn wij niet verplicht om ons tot het uiterste in te spannen om een herhaling  te voorkomen?
Laten wij de vrijheid door geven aan de generaties na ons!!

Dank u wel.

 

Toespraak door de burgemeester van Zeist, de heer J.J.L.M. Janssen

In maart overleed Johan van Hulst – 107 jaar oud.
Zijn dood haalde het journaal, omdat hij in de Tweede Wereldoorlog honderden Joodse kinderen redde.
De Kweekschool waar hij toen werkte, lag vlakbij de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam.Daar werden Joden naartoe gebracht, die bij een razzia waren opgepakt.Hun kinderen werden direct van hen gescheiden en tijdelijk ondergebracht in een lokaal van de Kweekschool.Nog voordat de kinderen werden geregistreerd en weggevoerd, haalde Johan er steeds een paar uit de groep.Die werden bij een pleeggezin ondergebracht.Zo overleefden zij de oorlog.
Na de oorlog worstelde Johan ermee, dat hij niet genoeg kinderen had gered.Hij zei hierover:
“We wisten dat ieder kind dat werd gebracht, ten dode was opgeschreven.Het liefst wilden we hen allemaal redden. Maar als er 30 kinderen werden binnengebracht, kon ik er natuurlijk niet 30 weghalen. Dus konden we steeds maar 5 of 6 kinderen tegelijk redden. Kiezen welk kind wel of niet gered werd, was een afgrijselijke keuze. Iedere dag van mijn leven zag ik dat beeld nog, van de kinderen die werden afgevoerd.”Het werk van Johan van Hulst was gevaarlijk. Als de bezetter had geweten dat hij Joodse kinderen in veiligheid bracht, hadden ze hem zondermeer opgepakt of gedood.
Waarom deed hij het dan toch?
Daarover zei hij:
“Natuurlijk heb ik getwijfeld.Ik had zelf een gezin met twee kinderen. Maar ik moest het doen. Ik wilde niet, dat er van mij kon worden gezegd ‘hij stond erbij en hij keek ernaar’”.   Johan overleefde de oorlog. Een held vond hij zichzelf niet. Maar hij was wél in verzet gekomen…

Ook Walraven van Hall was in de oorlog een jonge man met een gezin. Als bankier kwam hij in contact met het verzet, dat geld nodig had.
Voor mensen die ondergedoken zaten.
Voor gezinnen van spoorwegarbeiders die staakten om de bezetter dwars te zitten.·
En voor de financiering van het verzetswerk. Hij sluisde, samen met zijn broer Gijs en anderen, meer dan 83 miljoen gulden weg.  Niemand verdacht de keurige bankier. Maar de manier waarop hij waardepapieren uit de Nederlandsche Bank weg haalde, wordt gezien als de grootste Nederlandse bankroof ooit.
Alles werd trouwens netjes geregistreerd.  Zodat ieder geleend bedrag na de oorlog tot de laatste cent kon worden terugbetaald. Het eind van de oorlog heeft Walraven niet meegemaakt.  Drie maanden voor de bevrijding werd hij opgepakt en doodgeschoten.
Hij werd 39 jaar.
Waarom deed Walraven het?  Waarom maakt hij deze keuze?
Omdat hij zich verzette tegen de anti-joodse maatregelen van de bezetter.
Die vond hij onmenselijk.

Johan, Walraven en al die andere mannen en vrouwen die in verzet kwamen, noemen we verzetshelden. Een van hen zegt daarover:
“Ik ben geen held. Maar toen ik zag wat er met de Joden gebeurde, moest ik wel in beweging komen, Ik verdomde het, om me daarbij neer te leggen.”
Daarmee raakt hij aan de kern van wat verzet is.

Twee weken geleden was ik bij de 150ste wake bij het detentiecentrum in Soesterberg.
Daar worden vluchtelingen met kinderen opgevangen, die terug moeten naar hun eigen land.
Er zijn mensen die vinden, dat wie niets heeft gedaan, niet in een detentiecentrum thuis hoort.
Zij komen iedere maand in beweging tijdens een wake.
Zo verzetten zij zich tegen wat zij als onrechtvaardig zien.
Daden van verzet zijn niet altijd groot.
Maar ze gaan altijd wel over iets groots.
Over de rechtsorde die op het spel staat.
Over de menselijke waardigheid die verloren dreigt te gaan.
Over medemenselijkheid.
Als we met de blik van vandaag kijken naar de verzetsmensen uit de Tweede Wereldoorlog, kan de moed ons in de schoenen zinken:
·         Kan ik zoiets ooit opbrengen?
·         Ben ik bereid de uiterste consequentie van die keuze te accepteren?
·         Zou ik mijn gezin daarin meenemen?

Een filosoof schreef:
Geweld begint, waar mensen elkaars blik vermijden.
Waar mensen zich niet meer verantwoordelijk voelen voor elkaar.
Waar mensen niet meer op elkaar kunnen vertrouwen.
Waar medemenselijkheid verdwijnt.
In oorlogslanden én in landen waar vrede heerst.
Wij staan gelukkig niet voor de keuze van Johan van Hulst en Walraven van Hall.
Wat wij wel kunnen doen, is om ons heen kijken.Wat staat er op het spel?

Laat ik iets belangrijks liggen?
Sta ik ergens bij en kijk ik ergens naar,  waar ik ook iets kan doen?
Kijken wij elkaar nog aan?
Voelen wij ons nog verantwoordelijk voor elkaar?
Geweld begint waar medemenselijkheid verdwijnt, zegt de filosoof.
Daartegen kunnen wij in verzet komen – iedere dag opnieuw.

 

 

HERINNERINGEN van de heer  Ir W.J. Velthuijsen over zijn tewerkstelling door de Duitse bezetter.

Geachte aanwezigen,

Het bestuur van de Stichting 4 en 5 mei Comité Zeist heeft mij uitgenodigd om te spreken over een van die vele ellendige plagen in de bezettingstijd, en wel over de gedwongen tewerkstelling van Nederlandse mannen door de Duitse bezetter.

Nadat al gedurende de gehele bezettingstijd veel Nederlandse mannen gedwongen werden om in Duitsland te gaan werken, ontstond er in het najaar van 1944, na de helaas mislukte luchtlandingsoperatie van de geallieerden bij Arnhem, de bizarre situatie dat in verschillende plaatsen van Nederland door de Duitse soldaten razzia’s werden gehouden. Daarbij werden alle mannen van tussen de 18 en 50 jaar gevangen genomen en gedwongen om elders te gaan werken aan de Duitse verdedigingswerken.

Zo’n razzia vond ook in Zeist plaats  op 28 oktober 1944.  De gevangenen werden naar, het  korte tijd daarvoor, geëvacueerde Arnhem vervoerd om daar te gaan werken aan de verdedigingslinie langs de Rijn.

Vier dagen eerder was er  een  razzia gehouden in Bussum en bij die gelegenheid werden mijn oudere broer  Jan en ik gevangen genomen en  met vele lotgenoten eveneens naar Arnhem vervoerd. Ik ben uitgenodigd om vandaag iets over mijn persoonlijke ervaringen te vertellen.

Op die gedenkwaardige 24 oktober 1944 stond ik met honderden andere Bussummers die  ook niet op tijd hadden kunnen vluchten of onderduiken, urenlang op het Sportpark Zuid in Bussum in afwachting van de dingen die zouden gaan gebeuren.

Het was een vreemd gezelschap. Alle rangen en standen van de samenleving waren vertegenwoordigd. De slager en de bakker, maar ook de advocaat en de voddenboer.

Het lukte sommige vrouwen om nog wat dingen aan de gevangenen te brengen, zoals een hoed of een deken. Mijn moeder bracht mijn broer en mij nog wat tabak uit haar geheime voorraad die zij voor het ruilen van levensmiddelen had bewaard.

Op een gegeven moment werden we allemaal opgesteld in een colonne en daarna gingen we lopend, onder zware bewaking van Duitse soldaten, op weg naar een voor ons toen nog volkomen onbekende bestemming.

We liepen eerst over de grote straatweg, tegenwoordig de A1, naar Laren en toen verder naar Baarn en vervolgens naar Soest. Nog steeds niet wetend waarheen. Er waren hartpatiënten die het lopen niet konden volhouden. Zij werden langs de weg achter gelaten.

Er was vrijwel geen ander verkeer op de weg. Een door een paard getrokken tegemoetkomende wagen, volgeladen met losgestorte appels, kwam  tijdens het passeren  in het gedrang en werd door onze colonne helemaal leeg gepakt.

Eindelijk, het was al bijna middernacht, zagen we een spookachtig verlichte poort. Dat bleek de ingang te zijn van het beruchte Kamp Amersfoort.

Mijn broer en ik werden samen met vele anderen opgesloten in een grote lege barak. We konden allemaal net een ligplaatsje op de grond vinden. Daar hebben we in het stikdonker, zonder sanitaire en andere noodzakelijke voorzieningen onze eerste nacht als gevangene doorgebracht.

De volgende dag maakten we kennis met het leven in dit afschuwelijke kamp en konden we allemaal horen en zien hoe het daar toeging. Aan de andere kant van hoge prikkeldraad  afscheidingen zagen wij de politieke gevangenen. Arme drommels met  hun kaalgeschoren hoofden en in hun  gevangeniskleding. Ik herkende tussen die gevangenen een oude buurman. Toen ik contact met hem wilde maken werd ik door een Nederlands sprekende bewaker, heel grof  en hufterig uitgekafferd en van de afscheiding weg geschreeuwd.

’s Avonds laat moesten wij in het donker naar het station van Amersfoort lopen en daar werden we, na vele uren wachten op het perron, met het nodige geweld in de compartimenten van een personentrein gepropt. Daarna begon een nachtelijke treinreis met onbekende bestemming; rijden, stoppen, geweervuur, rijden, stoppen, geweervuur en weer rijden

Het was al dag toen de eindbestemming was bereikt. We ontdekten dat we waren aangeko- men op het station van de geëvacueerde stad Arnhem.

Na het uitstappen ondergingen wij de wel heel erg bizarre ervaring van de mars door deze geheel en al verlaten, doodstille spookstad. Netjes drie aan drie in colonne, op weg naar onze volgende bestemming.

De groep waarvan ik deel uitmaakte werd ondergebracht in het bejaardenhuis Vreedenhoff aan de Velperweg, en daar zouden wij de komende maanden verblijven. .

Ons werk bestond hoofdzakelijk uit het maken van loopgraven en prikkeldraadversperringen  langs de oevers van de Rijn. Incidenteel waren er nog allerlei andere taken zoals het opruimen en vervoeren van munitie. Op een van de eerste dagen ontdekte ik onder de Rijnbrug het lijk van een nog jonge gesneuvelde geallieerde parachutist. Ik heb een hele poos naar die man staan kijken en ik heb  vaak aan hem moeten terugdenken

Het werk was niet erg zwaar. De bewaking en het toezicht werd veelal gedaan door oudere soldaten die afgekeurd waren voor de dienst aan het front. Het was die winter wel erg koud en dat was goed merkbaar als je met je blote handen met het prikkeldraad aan de gang moest.

De voedselverstrekking was karig maar er waren mogelijkheden om zelf wat bij te “organiseren”, zoals dat toen heette, door in de leegstaande huizen en gebouwen  te gaan zoeken naar achtergebleven voedselvoorraden.

In Vreedenhoff waren ongeveer 200 gevangenen ingekwartierd. Er ontstond al gauw een bepaalde structuur. We hadden een eigen bestuur, een ziekenboeg, en een keuken. Er werd een keer een recreatieavond in het theater Tivoli aan de Velperweg georganiseerd en er ontstond een verlofregeling. Een groepje gevangenen mocht een week naar huis, naar Bussum en als die terug waren gekomen mocht een volgend groepje een week met verlof. Omdat er niemand van dat eerste groepje terug kwam werd er een nieuwe regeling gemaakt op basis van remplaçanten. Die regeling werkte goed. Mijn vader, hij was toen ouder dan 50 jaar, is nog een keer remplaçant geweest zowel voor mijn broer als voor mij.

In het voorjaar van 1945 zijn mijn broer en ik gevlucht. We zijn er in geslaagd om weer veilig thuis  te komen en daar hebben we, als onderduikers, de bevrijding kunnen afwachten

Het werk in Arnhem was niet ongevaarlijk. We zijn enkele keren beschoten door geallieerde vliegtuigen en  zo nu en dan kwamen we onder  vuur te liggen van kogels en granaatscherven.

Al in de eerste weken van ons verblijf in Arnhem  ging  het gerucht dat er elders in Arnhem een lotgenoot door een granaatscherf om het leven was gekomen.

Heel veel jaren  later  hoorde ik dat omstreeks die tijd  de tweeëntwintigjarige Jan van Breemen uit Zeist  op 6 november 1944 in Arnhem door een granaatscherf was omgekomen.

Aan  mij is  na de bezetting nog een mooi lang leven  geschonken Aan mijn ongelukkige lotgenoot Jan van Breemen is dat niet gegund geweest en zijn  familie en vrienden hebben  jarenlang een groot verdriet moeten meedragen.

Op deze dag van herdenking wil ik daarom, met veel respect en sympathie denken aan mijn   Zeister  lotgenoot van toen en aan zijn familie en vrienden.

En daarmee wil ik mijn verhaal afsluiten.

 

Gedicht Madelief Tuinhout

Vrijheid,
Iets wat niet iedereen kent,
Iets wat niet overal is.

Onderduiken,
Wat veel mensen moesten,
En nog steeds moeten.
Verraden,
Wat sommige mensen deden,
En nog steeds doen.
Vermoorden,
Wat veel mensen werden,
En nog steeds worden.

Omdat één iemand de macht in handen kreeg,
En nog steeds zulke mensen krijgen.

Van een tak,
Die is aangestoken,
Naar een bosbrand.

En dan zeggen,
En nog steeds zeggen,
Dat heb ik niet gedaan.
Alsof je per ongeluk,
Mensen niet in hun waarden liet,
En nog steeds niet laat.

Vrijheid,
Iets dat niet overal was,
En nog steeds niet overal is,
Maar wel overal zou moeten zijn.