ir W.J.Velthuisen – 2018

HERINNERINGEN van de heer  Ir W.J. Velthuijsen over zijn tewerkstelling door de Duitse bezetter.

Geachte aanwezigen,

Het bestuur van de Stichting 4 en 5 mei Comité Zeist heeft mij uitgenodigd om te spreken over een van die vele ellendige plagen in de bezettingstijd, en wel over de gedwongen tewerkstelling van Nederlandse mannen door de Duitse bezetter.

Nadat al gedurende de gehele bezettingstijd veel Nederlandse mannen gedwongen werden om in Duitsland te gaan werken, ontstond er in het najaar van 1944, na de helaas mislukte luchtlandingsoperatie van de geallieerden bij Arnhem, de bizarre situatie dat in verschillende plaatsen van Nederland door de Duitse soldaten razzia’s werden gehouden. Daarbij werden alle mannen van tussen de 18 en 50 jaar gevangen genomen en gedwongen om elders te gaan werken aan de Duitse verdedigingswerken.

Zo’n razzia vond ook in Zeist plaats  op 28 oktober 1944.  De gevangenen werden naar, het  korte tijd daarvoor, geëvacueerde Arnhem vervoerd om daar te gaan werken aan de verdedigingslinie langs de Rijn.

Vier dagen eerder was er  een  razzia gehouden in Bussum en bij die gelegenheid werden mijn oudere broer  Jan en ik gevangen genomen en  met vele lotgenoten eveneens naar Arnhem vervoerd. Ik ben uitgenodigd om vandaag iets over mijn persoonlijke ervaringen te vertellen.

Op die gedenkwaardige 24 oktober 1944 stond ik met honderden andere Bussummers die  ook niet op tijd hadden kunnen vluchten of onderduiken, urenlang op het Sportpark Zuid in Bussum in afwachting van de dingen die zouden gaan gebeuren.

Het was een vreemd gezelschap. Alle rangen en standen van de samenleving waren vertegenwoordigd. De slager en de bakker, maar ook de advocaat en de voddenboer.

Het lukte sommige vrouwen om nog wat dingen aan de gevangenen te brengen, zoals een hoed of een deken. Mijn moeder bracht mijn broer en mij nog wat tabak uit haar geheime voorraad die zij voor het ruilen van levensmiddelen had bewaard.

Op een gegeven moment werden we allemaal opgesteld in een colonne en daarna gingen we lopend, onder zware bewaking van Duitse soldaten, op weg naar een voor ons toen nog volkomen onbekende bestemming.

We liepen eerst over de grote straatweg, tegenwoordig de A1, naar Laren en toen verder naar Baarn en vervolgens naar Soest. Nog steeds niet wetend waarheen. Er waren hartpatiënten die het lopen niet konden volhouden. Zij werden langs de weg achter gelaten.

Er was vrijwel geen ander verkeer op de weg. Een door een paard getrokken tegemoetkomende wagen, volgeladen met losgestorte appels, kwam  tijdens het passeren  in het gedrang en werd door onze colonne helemaal leeg gepakt.

Eindelijk, het was al bijna middernacht, zagen we een spookachtig verlichte poort. Dat bleek de ingang te zijn van het beruchte Kamp Amersfoort.

Mijn broer en ik werden samen met vele anderen opgesloten in een grote lege barak. We konden allemaal net een ligplaatsje op de grond vinden. Daar hebben we in het stikdonker, zonder sanitaire en andere noodzakelijke voorzieningen onze eerste nacht als gevangene doorgebracht.

De volgende dag maakten we kennis met het leven in dit afschuwelijke kamp en konden we allemaal horen en zien hoe het daar toeging. Aan de andere kant van hoge prikkeldraad  afscheidingen zagen wij de politieke gevangenen. Arme drommels met  hun kaalgeschoren hoofden en in hun  gevangeniskleding. Ik herkende tussen die gevangenen een oude buurman. Toen ik contact met hem wilde maken werd ik door een Nederlands sprekende bewaker, heel grof  en hufterig uitgekafferd en van de afscheiding weg geschreeuwd.

’s Avonds laat moesten wij in het donker naar het station van Amersfoort lopen en daar werden we, na vele uren wachten op het perron, met het nodige geweld in de compartimenten van een personentrein gepropt. Daarna begon een nachtelijke treinreis met onbekende bestemming; rijden, stoppen, geweervuur, rijden, stoppen, geweervuur en weer rijden

Het was al dag toen de eindbestemming was bereikt. We ontdekten dat we waren aangeko- men op het station van de geëvacueerde stad Arnhem.

Na het uitstappen ondergingen wij de wel heel erg bizarre ervaring van de mars door deze geheel en al verlaten, doodstille spookstad. Netjes drie aan drie in colonne, op weg naar onze volgende bestemming.

De groep waarvan ik deel uitmaakte werd ondergebracht in het bejaardenhuis Vreedenhoff aan de Velperweg, en daar zouden wij de komende maanden verblijven. .

Ons werk bestond hoofdzakelijk uit het maken van loopgraven en prikkeldraadversperringen  langs de oevers van de Rijn. Incidenteel waren er nog allerlei andere taken zoals het opruimen en vervoeren van munitie. Op een van de eerste dagen ontdekte ik onder de Rijnbrug het lijk van een nog jonge gesneuvelde geallieerde parachutist. Ik heb een hele poos naar die man staan kijken en ik heb  vaak aan hem moeten terugdenken

Het werk was niet erg zwaar. De bewaking en het toezicht werd veelal gedaan door oudere soldaten die afgekeurd waren voor de dienst aan het front. Het was die winter wel erg koud en dat was goed merkbaar als je met je blote handen met het prikkeldraad aan de gang moest.

De voedselverstrekking was karig maar er waren mogelijkheden om zelf wat bij te “organiseren”, zoals dat toen heette, door in de leegstaande huizen en gebouwen  te gaan zoeken naar achtergebleven voedselvoorraden.

In Vreedenhoff waren ongeveer 200 gevangenen ingekwartierd. Er ontstond al gauw een bepaalde structuur. We hadden een eigen bestuur, een ziekenboeg, en een keuken. Er werd een keer een recreatieavond in het theater Tivoli aan de Velperweg georganiseerd en er ontstond een verlofregeling. Een groepje gevangenen mocht een week naar huis, naar Bussum en als die terug waren gekomen mocht een volgend groepje een week met verlof. Omdat er niemand van dat eerste groepje terug kwam werd er een nieuwe regeling gemaakt op basis van remplaçanten. Die regeling werkte goed. Mijn vader, hij was toen ouder dan 50 jaar, is nog een keer remplaçant geweest zowel voor mijn broer als voor mij.

In het voorjaar van 1945 zijn mijn broer en ik gevlucht. We zijn er in geslaagd om weer veilig thuis  te komen en daar hebben we, als onderduikers, de bevrijding kunnen afwachten

Het werk in Arnhem was niet ongevaarlijk. We zijn enkele keren beschoten door geallieerde vliegtuigen en  zo nu en dan kwamen we onder  vuur te liggen van kogels en granaatscherven.

Al in de eerste weken van ons verblijf in Arnhem  ging  het gerucht dat er elders in Arnhem een lotgenoot door een granaatscherf om het leven was gekomen.

Heel veel jaren  later  hoorde ik dat omstreeks die tijd  de tweeëntwintigjarige Jan van Breemen uit Zeist  op 6 november 1944 in Arnhem door een granaatscherf was omgekomen.

Aan  mij is  na de bezetting nog een mooi lang leven  geschonken Aan mijn ongelukkige lotgenoot Jan van Breemen is dat niet gegund geweest en zijn  familie en vrienden hebben  jarenlang een groot verdriet moeten meedragen.

Op deze dag van herdenking wil ik daarom, met veel respect en sympathie denken aan mijn   Zeister  lotgenoot van toen en aan zijn familie en vrienden.

En daarmee wil ik mijn verhaal afsluiten.