Cor van Rijkom

‘Niet elke Duitser was een Nazi’
Cor van Rijkom vernietigde per­soonsbewijzen uit het gemeen­tehuis (of steelde ze om te laten vervalsen), waarschuwde het verzet voor naderend onheil, bracht onderduikers naar veilige adressen en wist represailles te voorkomen.  

Als gemeente ambtenaar had hij een cruciale posi­tie. Toch beschouwde hij zijn acties nooit als heldendaden: “Door de omstandigheden rolde ik in het verzet.”

Brandbommen
Hij werd door het verzet ook van gevaarlijke situaties weg­gehouden. “Als mijn broer uit Driebergen brandbommen ging leggen op Duitse vracht­wagens kreeg ik een waar­schuwing van zijn comman­dant Ten Kate: “Dat mag jij niet doen. Jij kunt het verzet zoveel inlichtingen ver­schaffen! Jou hebben we no­dig.”

Gevorderd
Volgens het landoorlogregle-ment mocht de bezetter met toestemming van de plaatse­lijke Ortskommandantur ge­bouwen vorderen. De ge­meente moest dan vervol­gens de bewoners elders huisvesten. Die functie kreeg Van Rijkom: “Op die manier kon ik goed overzien welke troepen er in Zeist gestatio­neerd werden.” Met als ge­volg dat Van Rijkom bij het verzet ook hoofd van de plaatselijke inlichtingendienst werd.

Donder op!
“Zo ben ik een keertje boos geworden op jongeren die bij Woudschoten alle in- en uit­gaande Duitse auto’s noteer­den: ‘Jongens, donderen jullie alsjeblieft gauw op! We be­schikken al lang over die ge­gevens! Als de Duitsers jullie pakken, hebben julie geen enkele kans er ooit weer uit te komen!’ Daarop heb ik hun ouders opgezocht om te ver­tellen dat het natuurlijk prachtig is wat ze doen, maar dat wij die gegevens al lang hebben. Als ze hiervoor opge­pakt zouden worden is, zou dat voor niets zijn geweest.”

Stoerigheid
“In het verzet werden ook dingen gedaan die niet nodig waren, waardoor mensen onnodig in moeilijkheden kwamen. Aan stoerigheid had­den we niets: je moet enkel verzet plegen als het nuttig is. Daarmee verschil ik weleens van mening met andere colle-ga’s.”

Kees Burger
“Wij woonden op de hoek van de Burgemeester Patijnlaan/ Joost van den Vondellaan naast Kees Burger, die nog bij z’n moeder woonde en door de SD gezocht werd. Hij heeft verscheidene malen bij ons ondergedoken, bang dat hij gepakt zou worden. Uiteinde­lijk hebben de moffen hem neergeknald. Zeist heeft een Rooms-Katholieke school naar hem vernoemd.”

Represaille voorkomen “Op de Waterigeweg werd een Duitser doodgeschoten, maar niemand wist – ook ik niet – hoe en door wie dat ge­daan was. Het had echter wel consequenties, want van Duit­se zijde werd gezegd: ‘Dan moeten er tien Zeistenaren worden doodgeschoten…’ Daarop vroegen mijn verzets-collega’s: ‘Zeg, van Rijkom, zou jij er wat aan kunnen doen? Jij hebt goede contac­ten met Lüdeke en Modersohn van de Ortskommandantur.’

Ik heb het eerst geprobeerd bij Van der Weert, een NSBer die nooit iemand kwaad had gedaan en wiens broer tot Commissaris der Provincie was benoemd: “Jij moet in­grijpen! Wat schiet je met zo’n represaille op?”

Maar het gesprek liep op niets uit, dus heb ik met Obergefreiter Lüdeke voor elkaar gekregen dat die re­presaille niet door zou gaan. Sommigen vinden dat dat een van de belangrijkste dingen was die ik gedaan heb.”

Razzia’s
“Met Modersohn en Lüdeke kon ik gewoon praten. Zij ga­ven mij ook door waar en wanneer er razzia’s werden gehouden. Je moet dus niet denken dat elke Duitser een Nazi was, om de donder niet! Ik was eens in de Ortskom-mandantur en Lüdeke en Mo-dersohn hadden een gesprek met de Gestapo. Tot Mo-dersohn iets vertelde, waar­op de Gestapo hem toe­snauwde: ‘Hé, dat mag je niet verklappen: er staat een ci­viel bij!’ Daarmee bedoelde hij mij. Voor die lui van de

Gestapo moest je erg oppas­sen. Als je later naar buiten-wandelt, schieten ze je zo voor je donder.”

 

Pleite

“Zodra ik hoorde dat een Zeisternaar gezocht werd, haalde ik zijn kaart uit het bevolkingsregister en vernie­tigde deze. De kaart was dan ‘pleite’. Als dan de SD kwam, riepen ze: “Scheiße, de kaart is er niet meer. Hij zal wel verhuisd zijn. Die vinden we nooit meer…”

Erwten-en-bonen- generaal
“Soms was het echt moeilijk om bewoners elders onder te brengen, zoals kolonel Palm die zijn huis op de Parklaan moest afstaan aan een Duitse generaal (in kleine kring spottend de ‘Erwten-en-Bonen-Generaal’ genoemd). Kolonel Palm was militair-commissaris en door de rege­ring uit Londen als geweste­lijk commandant aangesteld. Waar kon ik die man veilig onderbrengen? Ik heb daarop een villa aan de Socrateslaan gevonden die bewoond werd door een ernstig zieke NSB-er. Voor zijn huis stond zelfs een grote pantserwagen opge­steld: “Kijk eens kolonel,” zei ik, “dit is nou een veilige plek waar ze nooit iemand van het verzet zullen zoeken.“
Die zieke NSB-er had niets in de gaten; die was meer dood dan levend. Na de oorlog heeft Palm mij voorgedragen voor de Militaire Willems-Orde, maar dat wilde ik niet.”

Joods gezin
“Op een dag melde zich een vrouw bij de Ortskommandan-tur wiens zoon bij de Neder­landsche SS diende en wiens man net door een ‘terrorist’ (een illegale) was doodgeschoten. Ze vertelde dat ze nu zonder huis zat en dat ze wel ergens een Jood wist, wiens huis zij wilde heb­ben. Modersohn gaf mij daarop de opdracht het huis te regelen. Ik zei dat hij dat niet kon maken, waarop hij mij vertelde dat hij anders zelf neergeschoten zou worden.
Het leek mij dus verstandig om met hen naar het huis te gaan. De joodse kinderen vlogen als ratten tegen de muur toen ze mij- met die moffen zagen aan­komen. De vrouw van de ver­rader wilde het huis graag heb­ben, dus toen ik als laatste het huis verliet probeerde ik de onthutste bewoners toch nog gerust te stellen: ‘Wees kalm, ik zal kijken wat ik voor jullie kan doen.’ Ik wist ergens een bejaarde vrouw te wonen aan wie ik vroeg haar huis af te staan. Daarbij heb ik haar beloofd dat ze na de oorlog een andere woning zou krijgen en dat alle kosten vergoed zouden wor­den (mits we allemaal nog zou­den leven natuurlijk). Ze ging ermee akkoord waardoor het Joodse gezin in de eigen woning kon blijven.”

Britse bommenwerpers “Aan de Verlengde Slotlaan woonde Dominee Lugtigheid. Ook hij was actief in het verzet. Op Duits bevel moest het hele gezin met spoed hun woning verlaten omdat de kinderen op het dak naar overvliegende Britse bommenwer­pers hadden ge­zwaaid. De Grüne Po-lizei had hen betrapt. Ik moest voor onder­dak zorgen, maar ik wist me geen raad. Nou hadden de Duit­sers destijds verschil­lende gevorderde huizen aan de Platolaan ontruimd. Die hielden ze achter de hand voor eventue­le binnentrekkende troepen. Ik beloofde de dominee één van die gevorderde woningen en liep op Modersohn af om hem dit te melden. Hij zei: ‘Dat kan toch niet! Dat is een gevorderde woning!’
‘Maar man!’, blufte ik, ‘die wo­ning heb je toch al lang vrijgege­ven?’
Na lang praten zag hij het uit­eindelijk door de vingers. Maar als je met een rotzak of een ech­te Nazi te maken had, was je de sigaar.”

Water bij de wijn
“Zo zie je dat door een goede verstandhouding met enkele leden van de Ortskommandan-tur veel ellende voor Zeist be­spaard is gebleven. Aan Mo-dersohn en Lüdeke zijn per­soonsbewijzen verstrekt, waar­mee ze na beëindiging van de oorlog snel konden onderdui­ken. Voor deze Duitsers een ex­tra stimulans veel water bij de wijn te doen…”

Piet de Mof
Driebergen arresteerde de SD een Joodse vrouw en haar kind. Haar man was op dat mo­ment aan het wandelen en ontsprong zodoende de dans. De vrouw sloeg door en ver­raadde haar verblijfsadres waarop meerdere arrestaties volgden. Zo zaten de cellen van het Zeister poli­tiebureau vol met Joodse gezinnen. Aanvankelijk voel­den wij er niks voor om wat te onderne­men, maar na aan­dringen van verschil­lende kanten, waag­den wij het er op. We hadden weinig tijd want we wisten dat de SD de volgende ochtend om zeven uur de Joden zou opha­len. Snel werden de benodigde documenten gemaakt en een aanvalsplan gemaakt. Toen zijn Henny Idenburg en Rudi Bees-kow (alias Piet de Mof; een gedeserteerde Duitser waar­van we niet precies wisten aan welke kant hij stond) in gesto­len uniformen het politiebu­reau binnengelopen en hebben de Joden meegenomen en be­vrijd.

Buiten hadden KPers zich ver­dekt opgesteld, maar er bij deze brutale actie geen schot.”

Bovenstaande fragmenten zijn afkom­stig uit gesprekken die Frédérik Ruys als 15jarige scholier met Cor van Rijkom voerde in 1990 voor zijn werk­stuk over het Verzet in Zeist. Complete transcriptie: vizualism.nl/ vanrijkomzeisterverzet.

Cor overleed enkele jaren later. Hij was Ridder in de Orde van OranjeNassau, Drager van het Verzetsher-denkingskruis en Ereburger van de Gemeente Zeist.

Programma 4 en 5 mei Comité Zeist — 2020