Gerrit van der Vorst

Beste kijkers en luisteraars,

Vandaag wil ik een aantal vergeten slachtoffers betrekken bij de Dodenherdenking voor Zeist. Het gaat om joodse onderduikers die na arrestatie slachtoffer werden van de Holocaust. En om inwoners van Zeist, die met hun leven betaalden voor hulp aan joodse onderduikers.

In verband met Corona hebben we te maken gekregen met beperkende maatregelen. Een bruggetje naar het onderwerp joodse onderduik ligt voor de hand. Grotere beperking is haast niet denkbaar. Eerst had de bezetter stapsgewijs anti-joodse maatregelen ingevoerd, waardoor joodse mensen vrijwel niets meer mochten. En toen de deportaties begonnen, raakten ze hun allerlaatste restje vrijheid kwijt. Volgens recente schattingen dook ongeveer 1 op de 5 joodse Nederlanders onder, 28.000 van de 140.000.

Voor onderduiken had men vaak geld nodig en relaties met niet-joden. En dan nog was het een loodzware beslissing. Onderduiken was onmenselijk. Erger dan gevangenschap, zei een joodse onderduikster in Zeist. En dat was niet overdreven. Stelt u zich voor:

2 tot 3 jaar zonder familie en vrienden, onzekerheid en angst over hun lot.

Alles achterlaten, leven met een valse identiteit, zonder bewegingsvrijheid, in een kleine ruimte, soms zonder daglicht.

Niets omhanden hebben, vaker moeten wisselen van adres, in alles volledig afhankelijk van anderen.

Voortdurend levensgevaar en dus angst voor ontdekking, wanhoop omdat het maar duurde en duurde.

Dat was toch geen leven meer? Er ging ook veel mis en vaak liep het alsnog ellendig af.

Hulp aan joodse onderduikers was strafbaar. In 1943 werd de straf voor onderduikgevers bepaald op 6 maanden Kamp Vught. Aan het geven van onderduik waren grote risico’s verbonden, naast praktische problemen.

Ontzag verdient rijwielhandelaar Gerrit Leijte van Dorpsstraat 32b, die met zoon, schoondochter en anderen hulp verleende aan joodse onderduikers. Gerrit Leijte werd verraden, gearresteerd en een week lang ernstig mishandeld. Maar hij verraadde niemand.

Bij hulp aan onderduikers moeten we vooral de huisvrouwen niet vergeten. Die leefden 24 uur per dag met hun onderduikers en ondervonden dus maximaal de bijbehorende spanningen. Tonnie Kirpenstein-ten Haaft op Krullelaan 17 verleende met haar echtgenoot Kees veel hulp aan onderduikers. Ten koste van blijvende gezondheidsklachten. ‘Ik heb mijn moeder na de oorlog nooit meer zien lachen.’, zei hun zoon.

Dat zijn twee voorbeelden van mensen die niet werkeloos bleven toekijken. In totaal verleenden een paar honderd Zeistenaren op de een of andere manier hulp aan joodse onderduikers. Onder hen ook gemeenteambtenaren. Zoals Jan Schep die niet terugkeerde na deportatie en inmiddels herdacht wordt met een herdenkingssteen.

Hoeveel joodse onderduikers in Zeist geholpen werden? Minstens 400 en mogelijk aanzienlijk meer. Er werd fel gejaagd op zulke onderduikers, ook in Zeist, en de Sicherheitsdienst maakte daarbij gebruik van verraders. Die konden een premie verdienen, kopgeld. Naarmate er minder joodse onderduikers waren, steeg het kopgeld per onderduiker  geleidelijk, van 7 gulden 50 naar 40 gulden.

En dan moet u bedenken: voor de hulp aan een joodse onderduiker waren meerdere personen nodig, maar voor verraad slechts één persoon. Er was veel antisemitisme en overal loerde verraad. Volgens de Anne Frank Stichting werden 12.000 van de 28.000 joodse onderduikers gearresteerd.

In Zeist vonden circa 55 invallen plaats, telkens na verraad. Bittere ellende, want arrestatie had doorgaans noodlottige gevolgen. In elk geval voor 111 joodse onderduikers die in Zeist gearresteerd werden.

Drie onderduikers stierven op hun Zeister onderduikadres, waaronder de 9-jarige Liliane Dreyfuss. Liliane kwam eind 1943 om het leven in kindertehuis Zonneschijn aan de Oranje Nassaulaan. Voor de omstandigheden verwijs ik naar het boek ‘Schaduw over Zonneschijn’. Lilianes graf op Bosrust is al lang geleden geruimd, maar daar had eigenlijk een monumentje moeten komen.

In kindertehuis Zonneschijn  zaten meer joodse kinderen ondergedoken en twee maanden na de dood van Liliane kwam er een inval. Behalve de 51-jarige Saartje Gosschalk-van Spiegel  werden vier kleine kinderen het slachtoffer van die inval. Dat waren de broertjes Raphael  en Martijn  Altmann, uit Zeist (6 en 3 jaar), Eduard Keizer (6 jaar) en Benjamin Waterman (1 jaar).

De 9-jarige Floortje Hamburger uit Heemstede en haar 11-jarig broertje Alfred verstopten zich bij de Stuifheuvel. Na een vrieskoude nacht werden ze apart ergens anders ondergebracht. Floortje op Lorentzlaan 103, bij Louise Was-Maltha. Deze weduwe hielp ook andere onderduikgevers en werd verraden. Op vrijdag 30 juni 1944 vond er een inval plaats in haar woning. De tweede inval die kleine Floortje Hamburger meemaakte, werd haar alsnog fataal. Het meisje zat verstopt in een kledingkast, maar ze werd ontdekt. Floortje werd op 25 oktober 1944 vermoord in Auschwitz. Ze was een van de 20 in Zeist ondergedoken joodse kinderen, die slachtoffer werden van de Holocaust.

Floortjes onderduikgeefster Louise Was-Maltha moest voor straf naar Kamp Vught en daarna naar het concentratiekamp Ravensbrück. Daar overleed ze eind december 1944, op de leeftijd van 62 jaar. Nog vijf andere Zeistenaren kwamen vanwege hun onderduikershulp om in een concentratiekamp. Een landelijk totaalcijfer is me niet bekend.

Wel dus voor de joodse onderduikers in Nederland. Circa 40 procent werd gearresteerd en de meesten werden alsnog vermoord. De overlevenden werden beschouwd als mazzelaars. Maar het waren vaak ernstig getraumatiseerde mensen en voor hen begon na de oorlog dodenherdenking op dagelijkse basis. Hun overweldigende leed werd in Nederland ontstellend kil benaderd. Het is haast niet voor te stellen, maar bij de herdenking van de Zeister oorlogsslachtoffers in 1946 werden de 104 Holocaust-slachtoffers vergeten. Alsof ze hier nooit gewoond hadden. Goed dat er later in het Walkartpark een monument  is opgericht voor die ongelukkige inwoners.

Als u stilstaat bij dat monument, denk dan ook eens aan die andere slachtoffers. Aan de omgekomen joodse onderduikers – bijna allemaal tijdelijke inwoners van Zeist – en aan de omgekomen helpers. Die moeten ook herdacht worden.

Een paar namen heeft u hiervoor gehoord. Deze en andere namen worden genoemd in het papieren monument ‘Dan komen angst en wanhoop aangeslopen’, een herdenkingsboek voor joodse onderduik in Zeist, dat vorig jaar is verschenen*. De bijbehorende verhalen zijn nu beschreven, zodat ze doorverteld kunnen worden. Doorverteld moeten worden. De al veel geciteerde woorden van de joodse dichter Leo Vroman zijn meer dan ooit van toepassing:

Kom vanavond met verhalen

hoe de oorlog is verdwenen

en herhaal ze honderd malen:

alle malen zal ik wenen.

Gerrit van der Vorst


* ‘Dan komen angst en wanhoop aangeslopen, joodse onderduikers in Zeist’, door Heleen bij ’t Vuur en Gerrit van der Vorst, met medewerking van Dick van de Kamp, Zeist, mei 2020. Supplement (februari 2021).